Columns

Lammetjes: the making of...

oktober 2019

Het is herfst. Aardige kans dat u dit leest met achtergrondgeluiden van gierende wind en striemende regen. Dan heb ik hier een (hart)verwarmend verhaal over…. lammetjes! Nee, deze keer niet de schattige babyschaapjes zélf, maar “Lammetjes: the making of…”.
Geen zorgen, schunnig wordt dit niet, wél interessant! Want hoewel het lammetjesseizoen nog mijlenver weg lijkt, zijn veel schapenboeren al druk bezig met voorbereidingen. En in dát kader stel ik u de volgende patiënten voor: De Daltons.

U ziet De Daltons – die, even voor de duidelijkheid, deze schuilnaam van mij kregen zodat ze lekker anoniem blijven en tóch in de krant kunnen – hier op de foto. Ze kijken een beetje schaapachtig in de lens. En terecht! Ze zijn tenslotte zojuist onder handen genomen door ondergetekende.

De Daltons zijn gelukkig niet ziek. Ze gaan een glansrijke carrière tegemoet als ‘zoekram’!
Voordat u denkt dat schapen tegenwoordig ook de speurhonden-opleiding mogen volgen: dáár heeft het niks mee te maken. Een zoekram betekent: een ‘gesteriliseerde ram’.
Zoekrammen helpen veehouders om een groep ooien in korte(re) tijd te laten aflammeren, zonder gebruik van kunstmatige hormonen. Hoe?! Een beetje uitleg hierbij is wel handig.

Schapenliefde is nogal anders dan mensenliefde, en werkt als volgt:
Het natuurlijke voortplantingsseizoen loopt van augustus tot december. Wanneer ooien tijdens deze periode voor ‘t eerst een ram besnuffelen, gebeurt er iets merkwaardigs: Poef! Hormonen gaan op hol, enkele dagen later gevolgd door hun eerste eisprong. Inderdaad: de aanblik van een knappe ram veroorzaakt al een eisprong! En zo begint de schapencyclus, die zich iedere zeventien dagen herhaalt. Gewoonlijk gaat zo’n eisprong gepaard met verschijnselen die anderhalve dag duren en die ‘bronst’ worden genoemd. Kwispelen, klef doen, achterwerk aan ramlief tentoonstellen….Je zou kunnen zeggen: ze flirten zich suf, bereid om gedekt te worden! Behalve dan tijdens die alleréérste eisprong. Die gaat bij de meeste dames juist zonder enige poespas voorbij en heet daarom ‘stille bronst’. Omdat ooien vrijwel alleen gedekt worden als zij zich bronstig gedragen, en een groot deel van de ooien stilletjes langs de kant toekijkt, die eerste eisprong, worden de meeste dieren dan ook niet meteen gedekt, maar pas zeventien dagen later. U snapt: het heeft voordelen als alle ooien hun stille bronst zouden doormaken vóórdat er een ram begint te dekken, want: hoe korter de aflammerperiode, hoe minder lang een schapenboer ’s nachts zijn bed uit moet.

Nú wordt het nut van De Daltons duidelijk! Om de beurt gingen zij onder algehele narcose, zodat ik via kleine sneetjes beiderzijds een stukje zaadleider kon verwijderen. Zoekrammen worden onvruchtbaar, maar zijn niet gecastreerd. Zo behouden zij hun natuurlijke hormonen en hebben ze hetzelfde effect op ooien als gewone rammen. Ze stimuleren de stille bronst, en bevruchten niemand! Zoekrammen blijven tot een paar weken in de koppel, en worden dan omgeruild voor vruchtbare soortgenoten. Hierdoor wordt direct optimaal gebruik gemaakt van de eerste echte bronst en wordt het lammerseizoen dus flink verkort.

En onze beteuterde Daltons? Zij kunnen tot zes weken na de operatie nog vruchtbaar blijven, dus voorlopig blijven zij samen….als je-weet-wel-mannen onder elkaar!

Dierenarts Alexandra Bogerman 

Van zandkoekjes tot zandkasteel

juni 2019

Wat koken betreft, leef ik nog enigszins studentikoos. Ik kan ‘suikerzoet’ zijn, zolang mijn maag vol is, maar ik word acuut ‘linke soep’ als de trek toeslaat en er geen eten in de buurt is. Koken schiet er dus wel eens bij in. Hoe luider mijn maag knort, hoe minder kieskeurig ik ben. Een tosti of kant-en-klare maaltijd is dan snel bereid. Ik werk naar binnen wat het snelst voorhanden is.  Beetje dierlijk, vind ikzelf. 
Maar, ter verdediging: zo bont als de hond, zal ik het nooit maken!

Honden zijn geen fijnproevers, is mijn bescheiden mening. Wat zij zoal vreten, daar kun je bladzijden vol over schrijven, en het doet mij soms twijfelen aan hun smaakpapillen. Speelgoed, gras en stokken, poep van soortgenoten, poep van niet-soortgenoten, sokken (liefst gedragen), maandverband (uiteraard ook liefst gedragen), vishaken…. De lijst van ‘gevonden voorwerpen’ in het honden-maagdarmkanaal is eindeloos en levert deze diersoort regelmatig problemen op.

Zo ook bij ‘Strolchi’, een vierjarige snoezige Havanezer reu van amper 5 kg. Midden in de nacht had hij zijn eigenaren abrupt gewekt met een snerpend, aanvalsgewijs gejammer, gevolgd door waterige diarree. Ook had hij één keer slijm gebraakt. Het braken en de diarree stopten daarna, maar de aanvallen van pijnlijk gepiep kwamen vaker en duurden steeds langer. De eigenaren herinnerden zich dat hun hondje die dag op het strand iets had opgepeuzeld, maar wát precies was onbekend. Na twee uur aankijken in hoop op verbetering, belden deze mensen mij bezorgd op en kwamen met Strolchi naar de praktijk.

Op de behandeltafel onderging Strolchi het lichamelijk onderzoek gedwee. Hij oogde kalm en stabiel, met een rustige hartslag en ademhaling, normale temperatuur, geen uitdrogingsverschijnselen, alert, inclusief kwispelend staartje. Maar bij het voorzichtig doorvoelen van zijn buik, werd bij hem de ‘aan-knop’ geactiveerd en gilde hij het uit!  De darmen in zijn buik voelden als zandzakjes vol zandkoekjes, en deden hem flink zeer. Ik vermoedde een (potentieel gevaarlijke) ‘zandobstipatie’, en stelde voor een röntgenfoto te maken. Zo kunnen we direct in beeld brengen of er écht zand in de darmen zit, en hoeveel dit is. Verder biedt het de mogelijkheid om, als Strolchi niet binnen een paar dagen zou opknappen, de röntgenfoto te herhalen, om te zien of datgene wat zich in de darmen bevindt, überhaupt richting de uitgang verplaatst, of juist muurvast zit.

De röntgenfoto bevestigde de diagnose: Strolchi’s darmen zaten tjokvol zand. Ik gaf hem injecties tegen pijn en misselijkheid, en nog diezelfde nacht startten we ook de behandeling met een speciale darmwasvloeistof, wat de eigenaren thuis ieder uur moesten toedienen in zijn bek. Dit moest ervoor zorgen dat het zand uit de darmen gespoeld werd.

De komende dagen werden spannend: zou Strolchi een (ingestort) zandkasteel uitpoepen of niet? We hielden regelmatig contact, en na anderhalve dag was daar de blije ‘grote boodschap’: Strolchi kon weer poepen en het zand was eruit! En….zou Strolchi bij zijn volgende hap zand voortaan kuchen, proesten, een slok zeewater in zijn mond doen rondkolken om alle zandkorrels die achter zijn tandvlees plakken weg te spoelen, en dan de hele mikmak keihard uitspugen? Waarschijnlijk niet…waarschijnlijk slikt hij het gewoon door.  Helemaal voorkómen dat je hond gekke dingen opeet, lukt lang niet altijd. Goed opletten, en bij twijfel aan de bel trekken, is alles wat u kunt doen. En wij staan dag en nacht voor u klaar!

Dierenarts Alexandra Bogerman 

Een buitengewoon knorrige patiënt

september 2019

Ik zal niet beweren dat ik met mijn column inmiddels een trouwe fanclub heb vergaard, maar mocht het u toevallig zijn opgevallen: wij hadden eventjes een columnpauze! Wij beleefden dan ook een ietwat ongewone tijd op onze dierenartsenpraktijk. 

Ex-collega dierenarts Eveline Dijkstra verruilde haar baan voor nieuwe uitdagingen elders. In de maanden daarna werkten we keihard met onze paraveterinairen en slechts drie dierenartsen. Uiteindelijk verwelkomden we twee nieuwe dierenartsen, waar we superblij mee zijn: Marcha van Wissen in juli en Kim Reuvers in augustus.
En wat is toepasselijker in deze ‘buitengewone tijd’, dan te schrijven over een Willem, een ‘buitengewone patiënt’? 

Willem, een volwassen Kunekune varken dat een perfect varkensleven leidde op een boerderij met betrokken eigenaren, temidden van zijn varkensvrienden, in een omgewroet weitje met knus schuilhokje, vertoonde vorige maand ineens zorgelijke verschijnselen. Hij liep zoals velen lopen in de nacht van Ouwe Sunder: straalbezopen. Hij schudde zijn kop in een voortdurende ontkenning, nee, nee, nee. Verder at hij niets, viel zomaar om, en zijn oogbollen schoten onophoudelijk heen en weer in hun kassen.

We vingen het varken met gemak. Willem was heel alert, maar had voor protest weinig puf en zo kon ik hem goed onderzoeken.
Zijn symptomen waren neurologisch en pasten bij een aantasting van de evenwichts- en gehoorzenuw: met een deftig woord de nervus vestibulocochlearis. Deze zenuw stuurt informatie over gehoor en evenwicht vanaf het binnenoor naar de hersenen. Wanneer dit beschadigt, weet Willem niet meer wat recht en krom is, kunnen zijn ogen onvrijwillig bewegen en voelt hij zich duizelig en misselijk. De oorzaak voor Willems probleem kon dus zowel een binnenoorontsteking zijn, of erger: een probleem in de hersenen. 

Ik gaf Willem een injectie ontstekingsremmer en antibioticum. De eigenaren moesten hem zelf ook iedere dag een prik geven, en enkele dagen later zouden we bekijken of de behandeling aansloeg. De prognose was onzeker. 

Maar na zijn kennismaking met naalden, dacht Willem: ik ben wél wiebelig, maar níét gek! Hij liet zich in de daaropvolgende dagen niet vangen en zwalkte fanatiek het hele weitje door, wegrennend van de medicijnspuit. Veel vooruigang was er dan ook niet.

Drie dagen later.
Controlemoment.
Moest Willem ingeslapen worden of had behandeling nog zin?
Hoewel Willem nog steeds ziek was, was er tegen alle verwachtingen in tóch heel lichte verbetering. Hij viel niet meer om, dronk en at muizenhapjes, en zijn oogbollen stonden stil. Wel stond zijn kop scheef en was hij wankel. Willem kreeg nog één kans. We zetten de achtervolging in en lokten onze knorrige patient na veel fratsen in zijn schuilhokje. Daar kreeg hij nieuwe, langwerkende injecties. Op die manier konden we Willem de komende dagen met rust laten in afwachting van het effect.

Na een paar dagen belde de eigenaar mij op en zei: ‘Alexandra, er is hier iemand die jou dringend wil spreken.’
Even hoorde ik niets. Wat was er aan de hand?!
Toen hoorde ik een luid, vrolijk geknor.
‘Is het Willem?!’ riep ik.
‘Jazeker, hij is weer helemaal de oude!’
En héél blij verrast met deze uitkomst dacht ik: dát varkentje hebben we maar mooi gewassen!

Dierenarts Alexandra Bogerman

Werk & privé: United

mei 2019

Laat ik eens een (vrij afgezaagd) onderwerp belichten: de werk-privé-balans. Voordat u mij onmiddellijk als ‘saai’ bestempelt: weinig dierenartsen uiten zich openlijk hierover, dus in dát opzicht ben ik hopelijk enigszins vernieuwend. Internet staat er bol van, velen lijken er iets over kwijt te willen:
De werk-privé-balans raakt verstoord! Gouden tips om de werk-privé-balans te verbeteren! Test uw werk-privé-balans! Enzovoorts, enzovoorts.

Wat voeg ík daar dan aan toe? Tips of testen? Nee, zeer zeker niet. Dit is slechts een kleine anekdote die illustreert hoe zeer dit werk met je privéleven verbonden kan zijn. U zult misschien gemerkt hebben dat ik in mijn column steeds over een andere diersoort schrijf. Dit verhaal gaat over een paard dat luistert naar de naam ‘United’. Een merrie van 18 jaar, groot, donkerbruin, trots. Van mij. En voor mij een kadootje.

Ik kreeg haar anderhalf jaar geleden. Haar vorige eigenaresse zocht een nieuwe plaats voor haar, iemand die af en toe met haar wilde rijden, geen wedstrijdambities had of veulentjes wilde fokken, kortom: net iets voor mij. Vanaf mijn kleutertijd heb ik altijd in het zadel gezeten, verre van professioneel: ik banjerde met mijn pony door de polders, maar genoot enorm daarvan. Toen ik zes jaar geleden naar Texel verhuisde, bleef mijn pony – inmiddels bejaard en gepromoveerd tot grasmaaier – achter bij mijn ouders, onder de rook van Rotterdam. Ik miste mijn hobby ‘paardrijden’, en was heel blij een eigen paard op Texel te krijgen! ‘Uni’ bleek wel een beetje bange broekenpoeper te zijn. Altijd blij, deed geen vlieg kwaad, maar een held op sokken. Verkeersborden waren spannend, trekkers moesten met grote sprongen omzeild worden en van schapen kreeg ze de bibbers (een onhandige eigenschap, voor een Texels paard!).

Twee weken terug belde vriendlief me wakker met de verontrustende mededeling dat Uni plat in haar stal lag, onrustig, niet in staat om overeind te komen. Voor een paardeneigenaar heel slecht nieuws, en de dierenarts in mij kon dat bevestigen. Ik reed zo snel mogelijk naar haar toe. Ze hinnikte, ondanks haar toestand. Vlug onderzocht ik haar. Torenhoge hartslag, bezweet lijf, donkerroze slijmvliezen, ondertemperatuur en een ondraaglijke buikpijn. Zo extreem ziek, zo plotseling, terwijl ze nog nooit ziek was geweest en de avond tevoren niks gemankeerd had. Ik herkende het beeld. Dit was koliek in zijn ergste vorm. Ik gaf haar pijnstillers, eerst de ‘gewone’, kort daarna de morfine. Niks hielp. Haar lichaam was verkrampt van pijn.

Ik moedigde haar aan te staan, als eigenaar. Ik wist dat het haar niet zou lukken, als dierenarts.

Ik dacht: misschien wordt het straks beter. Én ik dacht: dit wordt nóóít meer beter.

Ik belde een collega erbij, om de eigenaar in mij te vertellen wat de dierenarts in mij allang wist. Ik kon haar niet beter maken. Maar goed, een doodsvonnis uitspreken over je eigen huisdier is nu eenmaal geen dagelijkse bezigheid.

Op 18 april heb ik ‘Uni’ in laten slapen, in het bijzijn van mijn collega, mijn vriend en mijn schoonfamilie. Ze overleed waarschijnlijk aan de gevolgen van een darmdraaiing. Het inslapen deed ik als dierenarts. Het huilen daarna als eigenaar. Mijn werk-privé balans? Bestaat niet. Dierenarts zijn stopt niet na werktijd. Sterker nog, ik heb me zelden méér dierenarts gevoeld dan toen.

Dierenarts Alexandra Bogerman